Interactie in plaats van zenden
- geplaatst door Anne in
- Algemeen & Presenteren in 3 dagen & Spreektips
- 27-05-2026
De meeste sprekers die ik ontmoet, beginnen in de voorbereiding van hun verhaal bij het wat. Ze openen een leeg document op hun laptop en beginnen te tikken. Proppen pagina’s vol met ‘informatie’. Daar kijk ik met gezonde scepsis naar. Louter informeren, namelijk, is dodelijk saai, want het is zenden.
‘En wat,’ zul je nu vragen, ‘is er dan mis met zenden? Ik kom toch iets inhoudelijks vertellen, de kern en het belang van mijn grondige onderzoek presenteren?’ Laat mij je uit de droom helpen: zenden is de snelste manier om de band met je publiek te verliezen.
Een presentatie is namelijk niets minder dan een gesprek. Een ontmoeting tussen jou, je verhaal en de mensen in de zaal. Als spreker dien jij hen uit te nodigen om te participeren, mee te denken. Om iets van jouw denkwereld te ervaren. Ook wanneer je luisteraars stil zijn. Het ene stilzijn is het andere niet. Weet je je verzekerd van hun onverdeelde aandacht? Of zwerven hun gedachten al naar het snoeien van de appelboom, de vrijmibo, het babysitten op peuter Seppe?
Wanneer wij samen aan je presentatie werken, gaat het roer om. We vertrekken niet vanuit het wat en je dia’s, maar bij drie wezenlijke vragen.
1. Wat is je intentie? (Kies je werkwoorden)
Ga eens boven je presentatie hangen en stel jezelf de vraag: wat kom ik in essentie doen? Ziedaar ons startpunt: niet bij een/het onderwerp, maar bij werkwoorden. Woorden om mee te werken.
Kom je de boel opschudden? Kom je bemoedigen, activeren, verbinden, inspireren? Mensen overhalen, aan jouw kant krijgen? Weet wat je intentie is, en je stem krijgt richting en je verhaal een ziel. Informeren is saai
2. Welke vorm dient jouw intentie optimaal?
De vorm van je presentatie zal bepalen in welke mate beklijft wat je zegt. Daarom raad ik je aan om scherp te kijken naar de context waarbinnen je spreekt:
- De tijd en de plek: hoe lang heb je? Waar zit je in het programma? Wie spreekt er voor en na jou? Wat gaat de dagvoorzitter – die jou aankondigt – over je zeggen?
- De ruimte: wat voor zaal is het? Staan de stoelen in een vaste theateropstelling, of kun je er een kring of een hoefijzer van maken? Is er een dwingend podium, een statig katheder? En die microfoon; helpt die je of houdt hij je juist op afstand? Zul je niet beduidend vrijer spreken met een koptelefoontje-microfoontje?
- Jijzelf: spreek je alleen of vorm je bijvoorbeeld een duo? Heb je kaartjes in je hand of ‘leun’ je op PowerPoint? En: vergeet je kleding niet. Straalt deze uit wie je bent en wat je komt brengen?
3. Wie is je publiek?
Het scheppen van een band ontstaat niet pas op het podium; het begint ruim van tevoren. Eigenlijk begint het proces van verbinden al in jezelf. Vuistregel: ken je publiek. Hoeveel mensen zijn er? Ben je al bekend met deze of gene?
- Zoek ze op: pluis de deelnemerslijst uit. Verbind via LinkedIn. Stuur ze vooraf een kort, bij de persoon passend vragenlijstje. Chat met ze: hoe goed kent deze groep elkaar al? Zijn zij meer of minder betrokken wanneer het dit onderwerp betreft?
- Maak het individueel: loop vooraf even bij iemand binnen of stuur een berichtje. ‘Ha Bob, ik zag dat je er donderdag bij bent. Zou jij jouw ervaring van vorig jaar met me willen delen? Jij was er immers bij.’ Doe dit nooit in een groepsmail, want dan antwoordt er niemand. Eén zin gericht aan een specifiek persoon doet doorgaans wonderen.
- In de zaal: begroet en verwelkom mensen bij de deur. Gebruik grote, handgeschreven (textiel) naamstickers met dikke zwarte letters. Noem mensen bij hun naam. Niet te vaak, dat wordt irritant of raar. Nee, precies genoeg om iemand te laten merken: ik weet dat je er bent.
Geef je publiek meteen een stem
Wacht niet met interactie tot de beruchte ‘vraagtekendia’ aan het einde. Geef mensen vanaf het begin een stem en een opdracht. Oftewel: betrek hen bij je verhaal. Dit is een essentieel instrument om van je presentatie een dialoog te maken – en dat is nu precies wat je wilt.
Laat aanwezigen hun naam of verwachting in één woord samenvatten. Spreek hen aan in en op het moment. Breek, zogezegd, het ijs. ‘Zitten jullie hier verplicht?’ ‘Hebben jullie er zin in?’ ‘Hoe was de reis hiernaartoe?’ Zet hen aan het werk. Laat hen enkele minuten overleggen met hun buurman of -vrouw. Of vraag hen op te staan en in de ruimte te gaan staan – op volgorde van de spreekangst die ze wellicht voelen, of naar de jaren waarin ze al onderzoek doen.
Stap van dat podium af en ga tussen je publiek in zitten. Neem een voorwerp mee dat een zekere betekenis voor je heeft; de klok van je opa, de eigen koffiemok uit het ziekenhuis, die ene hardloopschoen. Iets wat jouw metafoor tastbaar maakt en waarmee je je verhaal kunt illustreren. Kortom: maak abstractie en theorie aanschouwelijk. Begin ermee en eindig ermee – dat maakt, evenals in het klassieke vertellen, je verhaal rond.
De oogst van de ontmoeting
En wanneer je dan aan het einde van je verhaal bent gekomen? Wees oprecht: vraag hoe het geheel is ‘geland’. ‘Kunnen jullie hier mee verder?’ ‘Wat is je oogst in één enkel woord?’ Open je handpalmen, nodig nogmaals uit. Neem de ruimte. Toon je publiek je beschikbaarheid.
En doe je toehoorders, jezelf (en mij) één plezier: sluit niet af met een PowerPoint-dia waarop staat ‘Bedankt voor de aandacht!’, of een plaatje van een dampende kop koffie met je e-mailadres eronder. Laat dat scherm uit. Je kunt het beter, veel beter. Kijk de aanwezigen nog een keer vriendelijk aan en nodig hen uit om na afloop de draad van het gesprek op te pakken.
Dit is wat verbindend, aandachtig en beloftevol, waarachtig spreken voor een groep inhoudt.
Laat je het me weten als ik je kan helpen, individueel of in een klein groepje.? Je bent van harte welkom.